Het is een gewone doordeweekse dag. In een week waarin er in mjjn huis wordt geklust.
Op een ochtend komt er iemand iets halen, een oude naaimachine. Ik ken haar, maar niet goed. Jaren geleden zat haar kind bij Laura in de klas. Nadat onze kinderen van de basisschool af waren, kwam ik haar maar af en toe tegen.
We zitten in de gang op de grond, bij de oude naaimachine. Want in de kamer, achter de deur wordt geklust en lawaai gemaakt. Ik laat haar de naaimachine zien en leg ik uit hoe hij werkt, maar al snel verandert ze van onderwerp.
'Ik vind het zo erg', zegt ze. 'Eerst Lennard, en nu Laura. Je dochter, je meisje'...
Ze noemt de namen van mijn kinderen en van die van haarzelf, ongeveer even oud. Ze zoekt naar woorden, die er eigenlijk niet zijn.
Ze huilt.
Ik vertel dat het verdriet nog zo groot is, en ik daar vooropig niet niet klaar mee ben. Dat ik Laura zo mis. Dat ik het niet begrijp dat er zoveel ergs gebeurt in mijn leven.
En dat ik probeer door te gaan, maar niet verder leef dan dag voor dag.
Ook ik moet huilen.
'Mag ik voor je bidden?' vraagt ze dan. Ik antwoord met ja. En daar, in de gang zitten we op onze knieën. Onze handen bij elkaar gevouwen en ze bidt voor mij. Om kracht en of God bij me wil zijn in mijn verdriet. We bidden en we huilen.
Wat is het kwetsbaar en krachtig tegelijk. Bidden op de vloer in de gang. Zomaar iemand die ik haast niet ken, maar die op dat moment dicht bij me staat.
Als ze weggaat omhelzen we elkaar. We gaan allebei weer onze eigen weg.
Ik moet nog veel denken aan wat er die ochtend gebeurde.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten